Alles op één plek
Samenvattingen per les, 20 flashcards, 35 oefenvragen en alle formules van Economic Skills 1.
De ezelsbruggetje
Haakjes → Machtsverheffen → Vermenigvuldigen/Delen (l→r) → Optellen/Aftrekken
→ Haakjes: 9/3 × 6 + 2
→ ×/÷: 3×6+2 = 18+2
→ +/−: = 20
Marge OP inkoopprijs
Inkoopprijs = 100%. De marge is een extra percentage bovenop de IP.
IP = VP / (1 + m%)
Marge VAN verkoopprijs
Verkoopprijs = 100%. De marge is een deel van de VP. IP = het resterende deel.
IP = VP × (1 − m%)
Van honderd vs. op honderd vs. over honderd
| Uitdrukking | Basis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Marge VAN het honderd | VP = 100% | 30% van VP → IP=70%, VP=100% |
| Marge OP het honderd | IP = 100% | 25% op IP → IP=100%, VP=125% |
| Marge OVER het honderd | IP = 100% | Zelfde als "op het honderd" |
BTW berekeningen
Excl → Incl (21%)
Prijs × 1,21
Incl → Excl (21%)
Prijs / 1,21
BTW bedrag
Excl × 0,21
Tarieven
21% / 9% / 0%
Absoluut
Werkelijke, precieze getallen zonder vergelijking. Bijv: 5.000 bezoekers, €120.000 omzet.
Relatief
In verhouding tot iets anders = procenten of breuken. Bijv: 15% marktaandeel.
Cumulatief
Opgeteld over periodes. Bijv: omzet jan+feb+mrt samen. "YTD" = year to date.
Procentuele verandering
Van €200 naar €240 → (240−200)/200×100 = +20%
Wat is een indexcijfer?
Verhoudingsgetal dat een getal vergelijkt t.o.v. een basisjaar. Basisjaar = altijd 100. Handig om trends over meerdere jaren te zien.
| Jaar | Omzet | Index (basis 2016) |
|---|---|---|
| 2016 | €220.000 | 100 |
| 2017 | €223.000 | 101,4 |
| 2018 | €207.000 | 94,1 |
| 2019 | €245.000 | 111,4 |
1. De Balans
Momentopname ("foto") op één datum van bezittingen en hoe die gefinancierd zijn.
Debet (links)
Activa = bezittingen: machines, voorraden, geld, debiteuren
Credit (rechts)
Passiva = EV + schulden (crediteuren, leningen)
2. Resultatenrekening
"Film van een jaar." Omzet en kosten over boekjaar (1/1–31/12). Resultaat gaat naar EV op balans.
Kostensoorten: personeelskosten, afschrijvingen, rentekosten, overige kosten.
3. Liquiditeitsbegroting
Toont geldstromen. Liquiditeitsbegroting = vooruitkijken (begroting). KSO = achteruitkijken.
| Situatie | Voorbeeld |
|---|---|
| Wel omzet, uiteindelijk ontvangst | Verkoop op rekening → debiteur betaalt later |
| Wel omzet, wel ontvangst | Contante verkoop (cash) |
| Geen omzet, wel ontvangst | Geld lenen, aandelen uitgeven |
| Wel kosten, geen uitgave | Afschrijvingskosten (waardevermindering) |
| Geen kosten, wel uitgave | Investering, aflossing, dividenduitkering |
Wat zijn kasstromen?
Alle geldstromen via bank en kas. Ontvangsten = liquide middelen stijgen. Uitgaven = liquide middelen dalen.
Ontvangsten (geld IN)
- → Betalende klanten
- → Geldlening ontvangen
- → Aandelen uitgeven
- → Kapitaalinbreng eigenaren
- → Bezittingen verkopen
- → Sponsoring / subsidies
- → BTW-teruggave
- → Rente-inkomsten
Uitgaven (geld UIT)
- → Leveranciers betalen
- → Lonen uitbetalen
- → Huur betalen
- → Belasting betalen
- → Aflossingen op leningen
- → Investeringen
- → Rentebetalingen
- → Dividenduitkering
Activa (Debet)
Vaste activa (>1 jaar)
Gebouwen, machines, inventaris
Vlottende activa (<1 jaar)
Voorraden, debiteuren, liquide middelen
Passiva (Credit)
Eigen Vermogen
Ingebracht kapitaal + reserves
Lang vreemd vermogen (>1j)
Hypotheken, langlopende leningen
Kort vreemd vermogen (<1j)
Crediteuren, rekening-courantkrediet
Alle kosten in de kostprijs
Bij AC worden variabele én constante kosten toegerekend aan het product. CK worden verdeeld op basis van de normale bezetting.
Fabricagekostprijs
Alleen productiekosten (VK + CK fabricage)
Commerciële kostprijs
Fabricage + verkoopkosten (VK + CK verkoop)
Werkelijke productie wijkt af van normaal
Overproductie (+)
Werkelijk > normaal → positief
Onderproductie (−)
Werkelijk < normaal → negatief
Minimale afzet om verlies te vermijden
BEP met gewenste winst = (CK + winst) / (VP − VK/st)
Concertticket: VP=€80, VK=€30, CK=€1.000.000 → BEP = 1.000.000/(80−30) = 20.000 kaarten
Hoe ver zit je boven het BEP?
Werkelijke afzet=25.000, BEP=20.000 → VM = (25.000−20.000)/25.000 × 100% = 20%
Alleen variabele kosten in de kostprijs
CK gaan als totaal (periodekosten) direct naar het resultaat — niet per stuk toegerekend.
Het verschil zit in de voorraadwaardering
| Situatie | Uitkomst |
|---|---|
| Productie > Verkoop | AC winst > DC winst (CK opgeslagen in voorraad) |
| Verkoop > Productie | DC winst > AC winst (voorraad daalt, CK komen vrij) |
| Productie = Verkoop | AC winst = DC winst. Altijd! |
Hoe sterk reageert de vraag op een prijsverandering?
- Schrijf de formule op
- Benoem oorzaak (ΔP%) en gevolg (ΔQ%)
- Schrijf absolute veranderingen op
- Bereken de procentuele veranderingen
- Deel: ΔQ% / ΔP% = elasticiteit
| Soort | Waarde | Betekenis |
|---|---|---|
| Elastisch | |E| > 1 | Vraag reageert sterk op prijs |
| Inelastisch | 0 < |E| < 1 | Weinig reactie op prijs |
| Volkomen inelastisch | E = 0 | Vraag verandert nooit |
| Vraag is… | Prijs omhoog | Prijs omlaag |
|---|---|---|
| Elastisch (|E|>1) | Omzet DAALT | Omzet STIJGT |
| Inelastisch (|E|<1) | Omzet STIJGT | Omzet DAALT |
Open boek tentamen
Je mag je materiaal gebruiken. MAAR: er is weinig tijd om alles op te zoeken. Je moet de stof kennen en verbanden kunnen leggen. Zorg dat je documentatie volledig en overzichtelijk is.
Rekenmachine toegestaan
Schrijf tussenstappen altijd op. Zo zie je waar een fout zit. Op het tentamen heb je kladpapier — gebruik dat!
Let op bij online tentamen
Een vraag is slechts één keer te bekijken. Klik NIET zomaar door! Lees elke vraag goed voordat je antwoordt of doorgaat.
- Marge op IP vs. marge op VP door elkaar halen → altijd checken wat het basisgetal is (IP of VP)
- Indexcijfer uitrekenen met %-teken → het is GEEN procent, schrijf geen %-teken
- Normale bezetting, werkelijke productie en werkelijke verkoop verwarren — drie verschillende dingen!
- Bij DC toch CK meenemen in de kostprijs → DC = ALLEEN variabele kosten per stuk
- Bezettingsresultaat vergeten bij AC perioderesultaat berekening
- Elasticiteit: vergeten dat de Epv negatief is bij normale goederen
| Overzicht | Wat is het? | Begrippen |
|---|---|---|
| Balans | Momentopname bezittingen en financiering | Bezittingen, EV, schulden |
| Resultatenrekening | Omzet en kosten over een jaar | Omzet, kosten, resultaat |
| Liquiditeitsbegroting | Geldstromen in een periode | Ontvangsten, uitgaven, saldo |
Indexcijfer
Basisjaar = 100. Resultaat is géén procent.
Procentuele verandering
Uitkomst wél een procent.
Marge op inkoopprijs
IP = VP / (1 + m%)
Marge€ = IP × m%
IP = 100%. VP = (100+m)%.
Marge op verkoopprijs
IP = VP × (1 − m%)
Marge€ = VP × m%
VP = 100%. IP = (100−m)%.
BTW
Excl = Incl / 1,21
BTW€ = Excl × 0,21
Tarieven: 21%, 9%, 0%.
Balans
EV = Bezittingen − Schulden
Debet = Credit. Altijd.
Resultatenrekening
Positief = winst. Negatief = verlies.
Liquiditeitsbegroting
Integrale kostprijs (AC)
Alle kosten toegerekend.
Bezettingsresultaat
Negatief bij onderproductie.
Perioderesultaat AC
Perioderesultaat DC
Verschil AC − DC
Prod > verkoop → AC hoger.
Break-even punt
BEP + winst = (CK + W) / (VP − VK/st)
Dekkingsbijdrage
Totale DB = afzet × DB/st
Bijdrage per stuk aan CK + winst.
Veiligheidsmarge
% dat afzet kan dalen tot BEP.
Prijselasticiteit van de vraag
Bijna altijd negatief.